Aandacht bij wegen- en rioleringswerken: code 011
04/02/2011
De bodemopbouw ter hoogte van bestaande wegenis kan zeer heterogeen zijn ten gevolge van diverse grondwerken die in het verleden uitgevoerd werden (bvb. opeenvolgende herstel van rijweg, aanleg voetpaden, herstel nutsleidingen, …).
Hieromtrent werd in december 2010 overleg gepleegd tussen de erkende bodembeheerorganisaties en de OVAM. Hierbij werden volgende principes afgesproken, die binnenkort ook door OVAM gecommuniceerd zullen worden in hun eerstkomende nieuwsbrief:
De bodemopbouw ter hoogte van bestaande wegenis kan zeer heterogeen zijn ten gevolge van diverse grondwerken die in het verleden uitgevoerd werden (bvb. opeenvolgende herstel van rijweg, aanleg voetpaden, herstel nutsleidingen, …).
Hieromtrent werd in december 2010 overleg gepleegd tussen de erkende bodembeheerorganisaties en de OVAM. Hierbij werden volgende principes afgesproken, die binnenkort ook door OVAM gecommuniceerd zullen worden in hun eerstkomende nieuwsbrief:
Bij de opmaak van een technisch verslag kan niet altijd geboord worden doorheen de wegverharding of ter hoogte van bestaande nutsleidingen en rioleringen. Door de heterogeniteit van de bodem zijn de analyseresultaten van de bodemmonsters genomen naast de wegverharding dus niet altijd voldoende representatief voor de de bodem die zich onder de wegverharding bevindt. Het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van uitgegraven bodem bij wegen- en rioleringswerken en de afbakening van de verschillende partijen door middel van een minimale bemonsteringsstrategie volstaat bijgevolg niet altijd. Bovendien is opmenging van verschillende partijen bodem en opbraakmaterialen vaak onvermijdelijk tijdens de uitvoering van de grondwerken (‘minder hinder’-maatregelen, opbraak verharding,…). De milieukwaliteit van de verschillende partijen zoals beschreven in het technisch verslag kan hierdoor negatief beïnvloed worden.
Ter hoogte van de wegenis moet de afbakening van partijen uitgegraven bodem die in aanmerking komen voor vrij gebruik met de nodige omzichtigheid behandeld worden. In de praktijk blijkt dat zelfs een intensieve bemonstering niet kan beletten dat tijdens (en na) de uitvoering van de grondwerken nog partijen met afwijkende milieuhygiënische kwaliteit worden vastgesteld.
Voor de afvoer van de partijen die op basis van de analyseresultaten voor vrij gebruik (211) in aanmerking komen moet er van uit gegaan worden dat de uitgegraven partijen niet zonder meer voor vrij gebruik ingedeeld kunnen worden in volgende gevallen:
- Oppervlakkig grondwerk waarbij de bodem afkomstig is van heterogene toplagen met verschillende milieukwaliteit die tijdens de voorbereidende grondwerken en plaatselijke grondverplaatsingen vermengd wordt. Omwille van de uitvoerbaarheid van de grondwerken kan geen gescheiden uitgraven van deze toplagen uitgevoerd worden en zal de diepte van de uitgraving in praktijk meestal samenvallen met het niveau van het toekomstig baanbed.
- Grondwerken in vergraven zones die die omwille van praktische redenen niet of onvoldoende bemonsterd kunnen worden (verhard wegdek, bestaande nutsleidingen en rioleringen, huisaansluitingen,…).
Om er voor te zorgen dat deze onzekere gronden niet zomaar vrij afgevoerd worden als bodem, is de code 011 in het leven geroepen. Als dus stalen geanalyseerd worden in het kader van een technisch verslag en deze een code 211 toegekend krijgen, dan zal deze in bepaalde gevallen moeten beschouwd worden als een code 011. Deze grond dient bijkomend bemonsterd te worden indien deze wordt hergebruikt als bodem buiten de werf.ten gevolge van diverse grondwerken die in het verleden uitgevoerd werden (bvb. opeenvolgende herstel van rijweg, aanleg voetpaden, herstel nutsleidingen, …).



